Goede mensen,
Onlangs las ik nog weer eens in het boek van Peter Henk Steenhuis ‘De persoonlijke God. Gesprekken op de grens van filosofie en geloof’ * . Mij troffen in het gesprek met Willem Barnard, dichter en theoloog, enkele uitspraken.
Barnard zegt: ‘God als eigennaam ken ik nauwelijks. “God” is een omtrek, een vorm waar ieder zijn eigen adem in blaast. Grammaticaal gesproken een soortnaam.’ Zoals in het Oude Testament binnen de soort die wij ‘god’ noemen allerlei namen bestaan naast die Ene. Barnard noemt ze ‘bijgoden en achterafgoden’. De Ene wordt in het Oude Testament genoemd met de naam ‘JHWH’, vier hebreeuwse letters die de rabbijnen meestal vertaald hebben met: ‘Ik zal zijn die ik zijn zal’, en uitspreken als ‘Adonai’ of ‘Ha Sjem (de Naam)’. Huub Oosterhuis vertaalt: ‘Ik zal er zijn voor jou’.
‘Wat mij bezighoudt is dat in de Bijbel, als het erop aankomt, niet ‘God’ staat, maar “de God” zegt Barnard. Hij zegt ook dat alles wat wij God noemen, in menselijke vormen op ons afkomt. Zoals de brief van een buurvrouw hem troostte, die bij het overlijden van zijn vrouw schreef: ‘Ik denk aan je vrouw, ze was lief, mooi en intelligent’.
Waarom ik hierdoor zo getroffen ben? Door het onderscheid tussen De Eeuwige, de Ene, en de ‘Goden’. Enerzijds de Eeuwige, die we alleen kunnen noemen, maar niet vatten. Anderzijds de ‘Goden’ die we kunnen (be)vatten en ons in de greep kunnen houden. Zoals de twee goden in het Nieuwe Testament die van de tientallen bijgoden en achterafgoden uit het Oude Testament overbleven: Mammon en Caesar, geld en macht.
In de Bijbel zijn ontelbare verhalen overgeleverd die ons laten zien hoe de goden hun macht uitoefenen: dat dit altijd via mensen gaat. Maar ook hoe mensen wegen vinden om onder de slavernij van deze goden uit te komen.
Daarom kunnen we niet zonder die verhalen, die ons willen bemoedigen en aansporen om wegen te vinden waarop mensen en de wereld tot hun bestemming geraken. Hoe barmhartigheid en gerechtigheid te doen in het klein en het groot. De moeite die we ermee hebben.
Daartoe proberen we vormen te vinden om uit te spreken en te delen hoe deze verhalen (en die uit andere tradities) ons raken. Die vormen willen we met al onze zintuigen beleven: zingend, dansend, mediterend, biddend, roepend, schreeuwend of in (de) stilte. In een bijzondere of ‘gewone’ viering, zoals we die in onze geloofsgemeenschap kennen. Noem het liturgie.
De tijdelijke en eigentijdse vormen die we zo vinden voor wat ons in het leven ten diepste beweegt en op de been houdt geven die verhalen door. En de kracht en troost die ervan uitgaat. Of de woede en het verdriet.
Wat er in de verhalen van Eerste en Tweede Testament is vervat en in de liturgie vormgegeven wordt, in die woorden en vormen schuil ik (met een variatie op Barnard). En waarin schuilt u?
Ik wens u goede kerstdagen. Aan allen die ziek zijn wens ik beterschap en aan wie de gezondheid te wensen overlaat wijsheid en moed. Mogen wij elkaar in aandacht blijven ontmoeten.
Klaas Yntema
Steenhuis, P.H. (2007). De persoonlijke God. Gesprekken op de grens van filosofie en geloof. Amsterdam, Van Gennep. |